Site Recente Affaires » Europese fraude en een boze gedeputeerde. (2001)


Europese fraude en een boze gedeputeerde. (2001)

Eind jaren negentig, begin 2000 was de provincie Limburg opnieuw verwikkeld in een affaire: de besteding van subsidies uit het Europees Sociaal Fonds (ESF), een fonds om de werkgelegenheid te stimuleren. Opnieuw bleken dossiers zoek, onderhielden ambtenaren nauwe contacten met een verdacht adviesbedrijf en waren gevolgde procedures ondoorzichtig.
‘Brussel’ was getild met fictieve deelnemersuren, met niet-bestaande bedrijven, met niet-bestaande stichtingen, met cursussen die helemaal niet waren gericht op met werkloosheid bedreigde werknemers, met opgeschroefde tarieven en met frauduleuze U-bochtconstructies.
In de nieuwe affaire was de Maastrichtse Abb Management Consulting Group de spin in het web. René van Hees en zijn vrouw Nicolle Maraite, oprichters van het adviesbedrijf Abb, hadden innige contacten in de Limburgse arbeidsmarktbranche en bij de provincieambtenaren van het bureau economie, arbeidsmarkt en onderwijs. Met gedelegeerd commissaris en aandeelhouder T. Versteegh had Abb een belangrijk lid van het Limburgse circuit in haar gelederen. Hij was oud-voorzitter van de Kamer van Koophandel in Zuid-Limburg en tot eind 1999 voorzitter van de Limburgse werkgeversvereniging. ‘Je bent een dief van je eigen beurs als je niet in zee gaat met Abb’, was de slogan in de jaren negentig. Provincie, arbeidsvoorziening, gemeenten, bedrijven en instellingen maakten gebruik van de vindingrijkheid van het adviesbureau om zoveel mogelijke Europees geld naar Limburg halen.
Met hulp van ambtenaren van de provincie Limburg en het regionaal bureau arbeidsvoorziening zorgde Abb ervoor dat overheden en bedrijven in Limburg maximaal profiteerden van het Europees Sociaal Fonds. Daarvoor ontwikkelde Abb scholings- en werkgelegenheidsprojecten met subsidie uit het Europees Sociaal Fonds. Tussen 1994 en 1999 ging op die manier 30 miljoen euro naar ESF-projecten in Limburg.
De provincie had zelf zeggenschap over de keuze van een deel van de projecten. Als enige provincie in het land had Limburg zo’n afspraak met het ministerie van Sociale en Werkgelegenheid. Limburg mocht zelf projecten bedenken en uitvoeren. De ambtenaren deden dat meestal in nauwe samenspraak en met hulp van Abb. Dat mocht ook de meeste projecten uitvoeren. Het adviesbureau had echter niet enkel oog voor de noden van de arbeidsmarkt. Het dacht ook aan zichzelf, en voerde niet-gemaakte onkosten op en fraudeerde met deelnemersuren.
Dit gebeurde onder meer bij het project Calllink, dat werklozen moest omscholen tot medewerker van een callcenter. Calllink kostte 55.000 euro en leidde welgeteld twee werklozen op die daarna nooit aan de slag gingen in een callcenter. Calllink was een project van de door het Abb-management opgerichte stichting Calllink. Calllink liet de uitvoering van het project vanzelfsprekend over aan Abb. De aan Calllink toegewezen subsidiegelden gingen op aan het betalen van de rekeningen van Abb.
De affaire-Calllink maakt duidelijk hoe Abb te werk ging. Om op kosten van Europese subsidiekassen geld te verdienen was een ‘truc’ bedacht: volgens Europese regels konden alleen werkelijke (loon)kosten van cursussen worden gesubsidieerd. Daarom richtte Abb, met instemming van de provincie, twintig stichtingen op. Die stichtingen, waarvan Calllink er een was, traden op papier op als uitvoerder van de projecten. De stichtingen, meestal bestuurd door relaties van Abb-directeur Van Hees, gaven vervolgens Abb opdracht de projecten uit te voeren. Abb kon zo commerciële tarieven (met aantrekkelijke overhead en winstmarges) hanteren die de stichtingen vervolgens als kostprijs opvoerden.

Toen de zaak in 2001 in de publiciteit kwam lagen de ESF-betalingen aan de Abb-projecten al een jaar stil. Het ministerie van Sociale Zaken maakte bezwaar tegen de stichtingen-constructie en verdacht Abb van onregelmatigheden. Volgens het ministerie hadden de stichtingen alleen wérkelijke kosten mogen declareren. Ook de Algemene Rekenkamer meldde dat bij deze constructies, waarmee de provincie Limburg telkens akkoord ging, sprake was van ‘verwevenheid’ die ‘misbruik en oneigenlijk gebruik’ in de hand werkte. Illustratief is ook de gang van zaken rond de Stichting Samenwerkingsverband Installatiebedrijven Limburg (SSIL). Abb wilde in 1997 installatiebedrijven goedkoop aan ISO-certificaten helpen. Normaal kost zo’n landelijk kwaliteitskeurmerk een middelgroot bedrijf 30.000 euro. Door tussenkomst van Abb was dat niet meer dan 7.500 euro. Abb maakte er namelijk een ‘Europees scholingsproject’ van. Daardoor werden, met medeweten van de provincie, de meeste kosten afgewenteld op het Europees Sociaal Fonds.
Het project zou uitgevoerd worden door de stichting SSIL. Deze stichting gaf Abb de opdracht het project uit te voeren. De kosten van dit project werden opgeschroefd door het aantal deelnemersuren op te voeren, bleek achteraf uit verklaringen van de deelnemende bedrijven. Abb diende zijn rekeningen in bij de stichting SSIL die geen kritische vragen stelde. De bestuurders van stichting waren uitgezocht door Abb-directeur Van Hees. Hoewel het stichtingsbestuur statutair geen beloning mocht ontvangen, kreeg voorzitter A. Ypeij, loopbaanadviseur van het landelijk opleidingsinstituut van de installatiebranche, dat wel. Abb betaalde 6.200 euro voor een verbouwing aan zijn woning.
Ypeij zei tegen NRC Handelsblad het geld te hebben willen terugbetalen, maar dat niet te hebben gedaan. Van Hees ontkende: ‘Er is nooit smeergeld of zoiets betaald. De bestuurders zijn gewoon zeer betrokken bij arbeidsvraagstukken.’ In 1999 nam Van Hees ook een zoon Ypeij in dienst als consultant bij Abb. ‘Ik selecteer mensen op kwaliteit’, reageerde Van Hees.
De commissie voor onderzoek van Provinciale Staten besloot in juni 2001, na krantenberichten over de ESF-fraude, een nader onderzoek in te stellen. Dat was tegen de wens van de verantwoordelijk PvdA-gedeputeerde Jan Tindemans. Hij probeerde de commissie van een onderzoek af te houden, maar slaagde daar niet in.

In februari 2002 publiceerde de commissie haar eindrapport.
De commissieleden en de ingeschakelde accountants concludeerden dat het besluitvormingsproces ‘in brede zin’ onzorgvuldig was geweest. Het rapport schetste een onthutsend beeld van de wijze waarop in het provinciehuis was omgegaan met projecten. Er waren geen voorschriften en of procedures voor het beoordelen van subsidieaanvragen en geen risicoanalyses met betrekking tot projecten en ondernemingen waarmee de provincie in zee ging. En er waren onduidelijke regels en een ondoorzichtige administratie. Accountants, die in opdracht van de commissie werkten, ontdekten dat dossiers over ESF-projecten onvolledig waren. Essentiële documenten waren spoorloos, zoals eerder ook in het onderzoek naar het aanbestedingsbeleid (1992) en het onderzoek naar de bodemsaneringen (2001).
Ook waren ambtenaren niet (financieel) kundig en waren interne regels voor subsidie overtreden. Weinig kritisch waren de ambtenaren geweest ten opzichte van Abb. Niemand trok aan de bel toen in oktober 1999 intern bekend werd dat Abb fictieve managementuren declareerde.

Bij de provincie had het ontbroken aan een structurele controle op de juistheid van declaraties en informatie van Abb. Ambtenaren van de provincie sloten overeenkomsten voor ESF-projecten met niet-bestaande stichtingen en Abb kon ongehinderd niet-bestaande bedrijven opvoeren als deelnemer aan ESF-projecten.
Alles wees erop dat Abb de ruimte had gekregen om te frauderen en dat alle betrokken partijen er beter van waren geworden. Abb kreeg de ene na de andere opdracht van de provincie en mocht via een administratieve constructies (te) hoge bedragen in rekening brengen, de deelnemende bedrijven kregen kwaliteitscertificaten of cursussen voor het personeel vergoed die ze anders (grotendeels) zelf hadden moeten betalen en de provincie Limburg kon goede sier maken met een ‘succesvol werkgelegenheidsbeleid’.
In Limburg waren achtduizend mensen geschoold, en daar was het toch om te doen, benadrukten Tindemans en zijn ambtenaren. Die achtduizend was een papieren aantal deelnemers dat in werkelijkheid niet aan de cursussen had deelgenomen, zo bleek uit de fraude met de deelnemersregistratie. Ook rees de vraag of de deelnemers wel allemaal tot de beoogde doelgroepen behoorden. Verantwoordelijk gedeputeerde Tindemans (PvdA) hoefde in het ESF-debat in de Provinciale Staten op 15 maart 2002 van een meerderheid niet op te stappen. Hij overleefde een motie van wantrouwen, mede dankzij steun van zijn eigen fractie en van het CDA.
CDA-fractievoorzitter H. Vrehen (inmiddels gedeputeerde) vergoelijkte de gang van zaken in het provinciehuis: ‘Ten slotte vragen wij ons af of de commissie voor onderzoek in haar eindconclusies niet te veel heeft gedacht, gewerkt en geoordeeld op grond van de normen en waarden die de huidige bestuurscultuur karakteriseren, met grote aandacht voor handhaving en strikte procedures, en relatief minder aandacht voor economische ontwikkeling en werkloosheidsbestrijding. En dat dan met betrekking tot een bestuursperiode, waarin iedere arbeidsplaats telde en veel opzij werd gezet om die toen politiek belangrijk geachte doelen te bereiken.’
Gedeputeerde Tindemans wilde in het debat van geen schuld of fraude weten. Wel hekelde hij het ‘lekken naar de pers’ zoals het verstrekken van, overigens openbare, stukken door SP-fractievoorzitter Peter van Zutphen aan kranten. ‘Ik ben buitengewoon zwaar gekwetst’, aldus Tindemans. Gedeputeerde Staten weigerden aangifte van fraude te doen tegen Abb (‘Er is geen sprake van fraude’). GS deden wel aangifte wegens het vermeend lekken. Justitie vond een onderzoek naar de lekken echter ‘niet opportuun’. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) deed daarna wél aangifte wegens fraude tegen Abb. In dat geval begon justitie wel een strafrechtelijk onderzoek.

SP-fractievoorzitter Peter van Zutphen (inmiddels wethouder in Heerlen), die als eerste kritische vragen over de ESF-kwestie had gesteld in Provinciale Staten, kon de houding van GS niet begrijpen. Hij memoreerde in het debat over de kwestie in 2002 nog maar eens de fraude die onder verantwoordelijkheid van Tindemans op grote schaal had plaatsgevonden.
Hoe weinig de houding van sommige Limburgse bestuurders veranderd was sinds de corruptieaffaires eind jaren negentig, bleek tijdens afscheid van Tindemans als gedeputeerde, op 15 maart 2002. Tindemans, die juist die dag het debat over de ESF-affaire had overleefd, werd directeur van het regionale vliegveld in Beek.
In de marmeren gouvernementele hal klonk verbittering. In zijn afscheidsspeech zei Tindemans geen bezwaar te hebben tegen kritische journalistiek, maar in Limburg waren op dat gebied toch echt ‘normen en waarden overschreden’. Tindemans: ‘Begin jaren negentig werd Limburg geteisterd door publicaties over corruptie, vriendenrepubliek, Palermo aan de Maas etc.’ Dat was in het geheel niet terecht want ‘veel van de beschuldigingen’ werden volgens Tindemans ‘later, of spoedig, ontkracht.’.

Een maand na het vertrek van Tindemans vorderde het ministerie van SZW 1,4 miljoen euro ESF-subsidie terug van de provincie Limburg vanwege de grootschalige fraude. Het gros van de terugvordering hield verband met scholingsprojecten van Abb. De projecten waren door de provincie Limburg ingediend bij het ministerie. Daarbij had de provincie zich garant gesteld voor een goede uitvoering. Nu het ministerie onregelmatigheden had ontdekt, werden de betaalde voorschotten teruggevorderd bij de provincie. Abb was eind 2000 failliet gegaan. Daar viel niets meer te halen.


Deze website is mede mogelijk gemaakt door Content People